woensdag 16 augustus 2017

Schelpen.

Ze dragen het verstand van de zee.
Ze ademen het licht van verlaten stranden.
Ze bespioneren benen en buik,
overspoelen met vergeten tijden
de verloren lopende angst van een kind.

Schelpen.

Ze gaan nooit dood en drogen nooit uit.
Verstoppen het leven in een zone van honger.
Zie ik hen liggen, raap ik hen op en word jonger.
Weet weer wat vrijen was, dromen in rul zand
en hopen dat de buit mee naar huis mocht.

Schelpen.

Lof en erkenning zonder dat ik ernaar zocht.
Ruisend ongelukkig-zijn van zilte eeuwen.
En altijd dat beamen van krijsende meeuwen.
Zal dit de toekomst zijn? dacht ik als kind.
Zag een koppel giechelend rollen, in de wind.

Schelpen.



vrijdag 4 augustus 2017

Onder de douche was er Charlie Winston:
ik hoef niet naakt te worstelen met slangen
om te weten hoe verraderlijk de liefde is
waar ik niet zonder kan.

In de bus klonk Jimmy Page of all people,
maar waarom? ik ben niet rock en ook niet roll,
in het stationsbuffet herken ik mijn Dvorak
die stoomt in een braaf bestelde Americano.

Zoevend als de trein werd ik dan even stil: 
het zou mooi zijn als mijn mobieltje rinkelde
om me te vragen waar ik ben, in welke tijd,
want ik haat het te laat te komen op de radio.

Het wonder: in Brussel hoorde ik overal jou.
Geen dystopie die mij weerhouden kon
om onze relatie als een samenleving te zien
van wondermooie perron vijf-gedachten.

Bach: wanneer jij en ik nog beter worden.
Als we maar volhouden, zoals hij het deed,
in muziek die dag en nacht 

door gammele levens dendert.

vrijdag 21 juli 2017

Grieken
onaangeroerd door tijd
die schoonheid al fresco schildert
op de zoldering van een wens

Grieken
met de woorden van Homeros op hun schoot
donderend door baaien en havens
vol Lotofagen en cyclopen

ik ga in mijn yacht van taal
met een sterke geest aan boord
op zoek naar jullie
om jullie te troosten

voor de aardbeving die het noodlot
als demonische liefde heeft meegevoerd

in deze kleine ode

waarin ik, naakt, aanspoel

maandag 10 juli 2017



muziek met urenlang dezelfde beat
mag voor mijn part meteen gedeletet
zo’n gedreun door de muren te aanhoren
is erger dan de terreur van drillen en boren

dit zijn andere tijden, net wat u zegt
maar ’t maakt me triest, mijn goeie recht
en wat zou de andere kant ervan denken
als ik hen een luid klavecimbel zou schenken?
PS Ik zal het niet doen
en geef iedereen een zoen

woensdag 28 juni 2017


Word rustig, pleinen
In de late lente na een doorgezakte winter
Van harde klank die de schijn ophoudt
Van een wereld in verzet 

Loop leeg, terreinen
Na een aanslag van decibels
Die mijn kijken in de weg staan
Naar verblindende renaissance

Blijf hupsch, flodderige bloemetjesrok
Die bij Brabo wervelt met mijn klierstof
En ruist als de wind op een wandelweg
Naar de herfst van mijn leven
Daar beven mijn herinneringen
Aan puberale reizen naar eeuwen die zwijgen
Aan fonteinen die liefdes averij uitzijgen
Onder de stille lantaarns waar vaal verlangen –

vrijdag 23 juni 2017

Ik ga me niet bezondigen aan huilebalkerij
in dit gedicht waarvoor je de tijd nam.
ik ga je danken dat je het deed, zonder zorgen,
en je meenemen naar het laatste straaltje zon.

Kom mee, de hoge grassen van gedachten
gaan liggen in het donker. Vergeet jezelf
in de stroming die je doet varen van vandaag
naar morgen. En blijf bij mij, wanneer ik in jou ben.

Glitter: de graalridders en magiërs van Wagner
musiceren op jouw vijver. Een zwaan trekt ons bootje
tot waar de maan het mooist is, rillend in mijn dromen
met jonge feeën. Wind door bloemen in Chinese inkt.

Slaap: daar bestijg ik jouw demonische krachten.
Alleen, aan de uiterste grens van de tonaliteit
ga ik leven in de zang van deze utopie. En zingend
ga ik je danken dat jij het was, niet ik, die weerklonk


in mijn muziek vol vreemde woorden, de stilte voorbij.

vrijdag 16 juni 2017


bij een ouderwetse muur van baksteen 
zingt een jonge vrouw haar slaapliedje 
onder een luifel in de regen 

in de regen lopen minnaars hand in hand
te zwijgen over het drijfzand van geluk
waarin ze verdwalen

in het verdwalen koesteren mijn lippen
een lichaam dat ik niet ken, een voorstad
met armoedige dromen

maar daar, bij die muur in de regen
waar ik een verloren gelopen kind zoen
diep in mezelf, weet ik wat het betekent

om het water van de bron de proeven
en gedachten te weven die aanvoelen
alsof het al wapperende banieren zijn

langs de meanderende stroom,
de nooit eindigende stroom

naar jou